Wie zijn ze, waarom slapen ze buiten en wat kun je doen als er ’s avonds een dakloze in jouw portiek slaapt? Moet je iemand die bedelt eten of geld geven? En waarom slapen sommige mensen op straat terwijl er nachtopvang bestaat?
Sterke toename
In Den Haag is het aantal dak- en thuislozen de afgelopen jaren sterk toegenomen. Dat geldt ook voor de Rivierenbuurt en het Spuikwartier. Volgens een recente schatting zijn er ruim 7000 dakloze mensen in Den Haag, van wie er ongeveer 2000 op straat leven. De rest slaapt elders, bijvoorbeeld bij familie, vrienden, in auto’s, hotels of bij maatschappelijke opvang.
Er zijn geen cijfers per wijk, maar volgens wijkagent Bas Bommezijn zijn het er hier in de buurt waarschijnlijk veel. De wijk is aantrekkelijk omdat het centraal ligt tussen de treinstations en er veel mensen op straat lopen, wat bedelen makkelijker maakt. Ook zijn er behoorlijk wat plekken om droog of verscholen te liggen zoals portieken, viaducten en bosjes. Er zijn hier allerlei hulporganisaties actief zoals de Soepbus, het Straat Consulaat en het Leger des Heils.
Wijkagent Bommezijn krijgt elke dag meldingen van overlast. “Sommige mensen slapen in een verwarmde portiek en dat geeft bewoners een gevoel van overlast.” Hij of zijn collega’s komen af op de melding, sturen de dakloze weg en soms geven ze een boete. In theorie is buiten slapen en bedelen verboden, maar de politie grijpt alleen in als er echt sprake is van overlast.
Kwetsbare groep
Een deel van de dak- en thuislozen leeft al jarenlang op straat. Maar de groep wordt vooral groter door EU-arbeidsmigranten, veelal jonge mannen uit Polen, Bulgarije en Roemenië. Zij komen naar Nederland voor werk, vaak zonder dat ze goed Engels of Nederlands spreken. Als ze hun baan verliezen, raken ze ook hun onderdak kwijt. Sommigen zijn verslaafd aan drank of drugs en hebben psychische problemen. Hulporganisaties noemen hen een kwetsbare groep. Volgens wijkagent Ron de Kooter van het Spuikwartier “staan ze in de overlevingsstand.”
Stichting Barka helpt juist deze groep mensen. Volgens medewerker Larisa Melinceanu moet je sterk zijn, ook mentaal, om hier te kunnen werken. “Soms raken mensen hun baan kwijt door een klein misverstand en dan gaat het mis. Terug naar huis, willen ze vaak niet. Ze schamen zich dat hun plan is mislukt.”
Overlast en hulp
De gemeente en hulporganisaties begrijpen dat dakloze mensen voor een gevoel van onveiligheid zorgen. “Ze drinken op straat, doen hun behoefte in het openbaar en laten afval achter”, zegt Bommezijn. De Kooter ziet dat ook, maar benadrukt dat de meesten niet gevaarlijk zijn. Bewoners kunnen hen soms zelf vragen weg te gaan, als de situatie veilig voelt. “Vaak luisteren ze gewoon, want ze willen geen problemen.”
De gemeente werkt samen met hulporganisaties aan de aanpak van het probleem. Er zijn Haagse Hosts die contact leggen met daklozen. De politie is dag en nacht bereikbaar voor meldingen. Daklozen kunnen terecht bij het Straat Consulaat, het Leger des Heils en bij Barka zijn er sinds meer dan een jaar slaapplekken beschikbaar.
Tekort aan woningen en opvang
Toch blijft het vinden van onderdak lastig in deze krappe woningmarkt. Volgens Peter Bos van het Straat Consulaat zijn er veel te weinig betaalbare woonplekken. “De sociale woningbouw heeft 15 jaar stilgelegen terwijl de vraag enorm is.” De nachtopvang van zo’n 500 plekken biedt onvoldoende uitkomst. De opvang zit overvol, en voor veel arbeidsmigranten is toegang tot deze opvang moeilijk. Je hebt een Nederlands paspoort nodig of je moet kunnen bewijzen dat je minstens een half jaar in Nederland hebt gewerkt. En dat kunnen ontslagen arbeidsmigranten niet altijd tonen. Daarnaast zijn de regels streng: geen alcohol en geen drugs. Volgens Bommezijn kiezen sommigen liever voor een plek op straat. “Het zijn vaak autonome personen die niet aan die strenge regels willen voldoen.”
Wat te doen
Wat kun je als bewoner het beste doen? Wijkagent Bommezijn raadt af om geld te geven, omdat het toch vaak wordt uitgegeven aan drank of drugs. Eten geven helpt volgens hem ook niet echt, er zijn hulporganisaties die ze hierin voorzien. Hulporganisaties zijn minder streng. “Een broodje of een kopje koffie kan best,” zeggen het Straat Consulaat en Barka. “Een beetje vriendelijkheid, een warme glimlach kan veel betekenen.” De gemeente zegt ook: “Wij vinden het belangrijk om dakloze mensen als mensen te zien en niet alleen te benaderen als potentiële overlastgevers.” De weg wijzen naar hulporganisaties hoeft niet, dat weten ze wel. Het belangrijkste is de politie bellen bij overlast. “Melden, melden, melden”, zegt Bommezijn. Zo krijgt de gemeente beter zicht op de situatie. Wijkagent De Kooter benadrukt dat bewoners altijd vragen kunnen stellen. “We zien elke melding en we bellen echt terug.”
Tekst: Bernice Willemsen | Foto’s: Joris Wijsmuller
